Op reis in de muziek

In de laatste weken van het schooljaar past het thema reizen. Denk aan schoolreisjes, een lang weekend weg én op reis in de zomervakantie.

Doelgroep: 2 & 3
Doel: aan het eind van deze les kunnen de leerlingen muziekinstrumenten indelen naar toonduur. 

Voorbereiding:
– Zoek in een liedbundel of op YouTube een liedje over treinen.
– Het lied zelf kunnen zingen.
– Geef deze les in een ruim lokaal of kleuterspeelzaal. Maak deze ruimte spannender door het maken van doorgangetjes. In een lokaal kan je een doorgang maken tussen 2 stoeltjes. In een speellokaal met bijvoorbeeld 2 banken waar de treintjes tussendoor kunnen lopen.

Instrumenten klaarleggen:
– Bekken met vilten klopper.
– Triangel met metalen slagstokje.
– Trommel met vilten klopper.
– Klankstaaf met rubberen klopper.
– Woodblock met houten klopper.
– 1 set claves.

In deze les staat het indelen van lange en korte klanken centraal. Een trein met wagonnetjes geeft daarbij een goed  beeld. Er zijn veel treinliedjes voor jonge kinderen te vinden, zoals: ‘Op een klein stationnetje’ en ‘Een treintje ging uit rijden’.

Het leerproces van de kinderen in deze les volgt de methode ‘Doen is het beste’ (zie voor meer informatie: Doen! Muziekinstrumenten in de klas.)

Beleving
Wijs vier kinderen aan als machinist van de trein. Vertel de overige kinderen dat ze mogen kiezen achter welke machinist ze willen aansluiten als ‘wagonnetje’.

De kinderen hoeven niet gelijkelijk verdeeld te worden over de treintjes. Zo ontstaan er vanzelf lange en korte treintjes.

Start de muziek of zing zelf een treinlied. Vertel de machinisten vooraf dat de treintjes door de ruimte mogen rijden zolang de muziek of het lied klinkt. ‘Sta op tijd weer stil.’

Vraag de kinderen om te tellen uit hoeveel wagonnetjes hun trein bestaat.  Bespreek met de kinderen welk van de 4 treinen de meeste wagonnetjes heeft en welke trein de minste wagonnetjes. Benoem dit daarna als ‘lange trein’ en ‘korte trein’.
Bekijk met de kinderen de andere 2 treinen: welke trein is lang en welke is kort?

Start dan weer de muziek of zing het lied en de treinen rijden weer rond.

Experimenteren
Laat de kinderen enige tijd als treintjes rondrijden. Geef daarna aan dat de kinderen gaan zitten op de plek waar hun trein gestopt is. Let op: de kinderen moeten jou goed kunnen zien.

Neem 2 instrumenten in je hand: het bekken en het woodblock.

  • Geef de kinderen de opdracht om goed te luisteren en hun vinger opgestoken te houden zolang ze het bekken kunnen horen. Sla het bekken aan.
  • Geef de kinderen dezelfde luisteropdracht en sla dan het woodblock aan.
  • Herhaal deze luisteropdrachten met het bekken en het woodblock meerdere keren zodat de kinderen steeds preciezer leren luisteren en hun vinger niet te lang of te kort opsteken.
  • Als afwisseling kan je ook enkele kinderen de beurt geven om 1 van beide instrumenten aan te slaan.
  • Vraag de kinderen nu: ‘welk instrument klinkt lang?’ Eventueel als tussenvraag: ‘bij welk instrument blijft jouw vinger lang in de lucht?’ (antwoord: het bekken)
  • Vraag daarna: ‘Bij welke trein past dit instrument?’
  • Vraag: ‘past het woodblock bij de korte treintjes? Leg uit waarom’.

Geef de kinderen de instructie om weer te gaan staan in hun treintjes. Vertel dat jij speelt op één van beide instrumenten. Speel je op het bekken dan mogen de lange treinen gaan rijden. Speel je op het woodblock dan rijden de korte treintjes.

Structureren
Ga met de kinderen in een kring zitten. Plaats in de kring de volgende instrumenten: claves, trommel, klankstaaf, triangel, woodblock, bekken. Herhaal bij het aanslaan van ieder instrument de luisteropdracht met het opsteken van de vinger zolang het geluid aanhoudt.
Sorteer vervolgens met de kinderen de instrumenten van lang- naar kort-klinkend. Gebruik specifiek die volgorde want het is voor kleuters makkelijker waarneembaar dat geluiden in lengte afnemen i.p.v. toenemen.
Zo ontstaat een 3-deling van de instrumenten:

  • lang: triangel/bekken
  • middellang: trommel/klankstaaf
  • kort: claves/woodblock

Toepassing
Wijs 3 kinderen aan die bij jou blijven staan.
Deel de rest van de groep kinderen op in 3 soorten treintjes: de 1e is lang , de 2e is middellang en de 3e is kort.
Geef de 3 kinderen die bij jou staan een instrument uit de 3 categorieën lang, middellang en kort ( zie de indeling hierboven).
Op jouw aanwijzing spelen deze 3 kinderen om beurten op hun instrument en ‘hun’ treintje gaat rijden.
Wissel ook af zodat steeds andere kinderen de instrumenten kunnen bespelen.

Evalueren
Rond deze les af met een korte nabespreking. De kinderen zitten weer in de kring.
In het kringgesprek herhaal je met de kinderen:
– de namen van de instrumenten.
– de begrippen lang en kort (voor middellang gebruik je misschien liever een ander woord, zoals ‘tussenin’?).

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Een WordPress.com website.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: